202


Melkmeetemmer 20 LITER met drijfstang, brug, hengsel en greep

H. Houtgraaf Dordrecht

Voor meer en grotere foto's klik op de melkmaat  

Op de rand van de melkmeetemmer staat 8 afgeslagen, het nummer van het ijkkantoor Dordrecht, gevolgd door 2 jaarletters van goedkeuring; S 1949-1950,
t 1951-1952. De bijbehorende drijver is eveneens gelijkt met kantoornummer 8 en 2 jaarletters S 1949-1950 en t 1951-1952.

Tevens zijn op de melkmeetemmer aangebracht twee messing plaatjes;
op het eerste en bovenste plaatje staat aangegeven de inhoud:
20 LITER en het fabrieksmerk: H.G. op het tweede en onderste plaatje
MELKMEETEMMER
KLEINSTE HOEVEELHEID
4 LITER

Bijzonderheden
> kantoornummer en jaarletters zijn op deze melkmeetemmer afgeslagen
   zonder stempelveld.
> zie ook Nederlandse Metrieke Inhoudsmaten G.M.M. Houben, pagina 69.

Fabrikant
H. Houtgraaf Dordrecht
Jaar van 1e aanbieding melkmeetemmers 1908
Jaar van laatste aanbieding 1961

Extra informatie
Vanaf 1885 werden er in Nederland veel melk- of zuivelfabrieken gesticht.
Tot die tijd was het de gewoonte om de melk op de boerderij te verwerken en was de kwaliteit van de producten niet altijd even goed. Bovendien was het zelf kazen en boter maken een bewerkelijk karwei dat de boerinnen graag kwijt wilden.
De eerste jaren nam het oprichten van die fabrieken geen grote vlucht, maar nadat bleek dat de fabriek boter en -kaas dikwijls een betere prijs opbracht dan de boerenproducten, werd de animo voor het oprichten van zo'n fabriek gaandeweg groter. Zo waren er op 30 november 1896 reeds 41 melkfabrieken in de provincie Groningen. Om de hoeveelheid geleverde melk van elke individuele boer te weten, werd de melk gemeten. Eerst mat men met geijkte blikken inhoudsmaten van 20, 10, 5, 2 en I liter, maar nadat in Denemarken emmers in gebruik kwamen met een drijver met stang, waarop het aantal liters direct kon worden afgelezen, werden deze emmers ook in Nederland gemaakt. Deze ongeijkte melkmeetemmers werden in 1896 door veel zuivelfabrieken gebruikt en er werd aandrang uitgeoefend om deze voortaan te kunnen laten ijken. Ze waren niet vermeld in de ijkwet en veel zuivelfabrikanten werden beboet wegens het gebruik van deze onwettige maten. Ook werd er op 14 september 1896 een vervolging ingesteld tegen de firma Boeke en Huidekoper te Groningen wegens het aanbieden van ongeijkte melkmeetemmers. De redenen die de heer Boeke voor de rechtbank noemde, ten gunste van het gebruik van deze maten, werden in de kranten uitvoerig belicht en reeds op 19 december 1896 wordt een "Nota nopens den ijk van meetemmers" door inspecteur Moors gestuurd naar de ijker chef van dienst in Groningen, de heer De Boeuff.

Bij KB van 9 juni 1897 worden de melkmeetemmers toegelaten tot de ijk. Dat wordt in Groningen bericht aan de makers van blikken maten H. Reyenga, H. van Glansbeek en Z.S. Cohen. Reeds op 21 september 1897 blijkt Z.S. Cohen voor de firma Boeke en Huidekoper fabrikant te zijn van melkmeetemmers. Deze matenmaker Cohen leverde reeds sedert 1880 gewone blikken inhoudsmaten; aanvankelijk van eigen fabricaat, maar omdat die maten niet te stevig waren, liet de firma deze maten na 1883 maken door een blikslager De Jong. Nadat Cohen leverancier werd voor de firma Boeke en Huidekoper werden deze emmers tot februari 1906 gemaakt door zijn meesterknecht M. v.d. Reis.
Op 31 december 1897 bericht de ijker chef van dienst, dat hij dat jaar na veel aanloopmoeilijkheden 13 melkmeetemmers van 20 liter met drijver heeft geijkt.
En op 9 maart 1898 bericht hij dat de strijkermal is omgebouwd tot hoogtemeter voor de staven van de emmers. In 1898 werden in Groningen 108 melkmeetemmers met drijver geijkt. Er mochten emmers van 20, 30 en zo verder met tientallen tot 100 liter worden geijkt. Maar het blijkt in de praktijk al gauw dat de meest gevraagde emmers die van 20 en 30 liter zijn.

Het jaarlijks op het ijkkantoor Groningen geijkte aantal emmers komt zelden uit boven de 50 stuks, behalve in 1911 en 1912; dan worden er bijna 70 stuks per jaar aangeboden. En in 1912 worden opeen 26 emmers van 40 liter geijkt terwijl in de jaren daarvoor bijna geen emmers van die grootte werden aangeboden. Emmers groter dan 40 liter zijn er in Groningen niet geijkt. In totaal zijn er in Groningen 936 melkrneetemmers geijkt in de periode van 1897 tot 2 januari 1914. Hiervan werden door Z.S. Cohen 496 stuks aangeboden en de rest door Boeke & Huidekoper. Blijkbaar werden er in de rest van Nederland aanvankelijk weinig melkmeetemmers gemaakt.

Op 9 november 1909 meldt Geertsema, de ijker chef van dienst in Groningen, dat hij in Gelderland en Zuid-Holland nooit melkmeetemmmers zag. G.M.M. Houben komt in zijn boek Nederlandse metrieke inhoudsmaten op een totaal van negen fabrikanten van melkmeetemmers. In het boek Meten en Wegen in Friesland worden nog drie makers genoemd. In de lijsten van 1916 van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel worden drie makers genoemd; in de lijst van 1919 wordt alleen nog Boeke en Huidekoper genoemd. Houtgraaf te Dordrecht maakte in 1924 als enige 76 melkmeetemmers; in 1925 nog 44 stuks. Daarna kreeg men concurrentie van de Wed. Renaud te Delft, die 5 emmers aanbood. Houtgraaf heeft daarna jaarlijks tot 1961 12 tot 75 emmers aangeboden. G. Stadsvoort te Nieuwkoop leverde in 1937 één exemplaar af. Blijkbaar zijn er nog meer fabrikanten geweest in en na de oorlog, omdat het aantal door Houtgraaf geleverde emmers in sommige jaren niet overeenkwam met het totaal aantal in Nederland gefabriceerde melkmeetemmers.

Sinds 1941 houdt het IJkwezen een lijst van modelnummer bij, van toegelaten meet en weegwerktuigen. Hierin komen drie fabrikanten voor van melkrneetemmers: S.A.B. (nr. 66 Va.) Ahlborn (nr. 99) en Van de Made & De Vries (nr. 100). Van alle drie zijn de toelatingen geëindigd op 1 januari 1947. Houtgraaf komt in die lijst niet voor, vermoedelijk omdat het bedrijf vóór 1941 al op de markt was met melkmeetemmers. De emmers werden niet zachtzinnig gebruikt, zoals uit de betreffende stukken van de ijkers blijkt. Ze waren meestal binnen enkele jaren onherstelbaar vernield. Er zijn volgens M.A. Holtman, auteur van dit artikel, maar weinig geijkte melkmeetemmers overgebleven in Nederland.

Vanaf 1910 werd de melk meer en meer werd gewogen in plaats van gemeten. Dikwijls werden de emmers nog gebruikt om kleine hoeveelheden karnemelk of wei voor de boeren uit te meten. Daarvoor konden de emmers goed dienen en hoefde er geen tweede weeginstallatie te worden aangeschaft.

R.J. Holtman (zoon van) heeft uit diverse bronnen gegevens verzameld over de produktie van melkmeetemmers: tussen 1896 - 1966 minstens 1549 stuks.
Meer info klik hier.

Zie ook: Meten & Wegen september 1996 /no. 95/ pagina 2447 t/m 2450
Melkmeetemmers door: M.A. Holtman.