Terechtzittingen van 11 en 25 juni 1864

Toepassingen van art. 2 van het Koninklijk Besluit van 30 maart 1827, Stbl. no.13 betreffende den herijk de maten en gewichten, wordt niet gevorderd, dat de in art. 1 genoemde personen patentplichtig zijn; evenmin zijn daarvan uitgezonderd zij, die slechts op gezette tijden aan bepaalde personen hunne waren verkoopen.

De officier van justitie bij de Arrondissements-Rechtsbank te Goes is requirant van cassatie tegen een vonnis van die Rechtbank van 2 mei 1864, waarbij, met bevestiging van een vonnis van den Kantonrechter te Goes van 20 februarij, te voren, waarvan hooger beroep, C.A. Boele, huisvrouw van G. Schalk , Landbouwster te Kloetinge, is ontslagen van alle rechtsvervolging, ter zake bij haar dagvaarding, ten laste gelegd, te weten, dat bij de gedane visitatie op den herijk, de maten en gewichten, op 9 september 1863, in de woning van de beklaagde, (nu gerequireerde) aanwezig is bevonden,                                    28*

                                              436  HOOGERAAD DER NEDERLANDEN

eene blikken of ijzeren maat, zijnde twee Nederl. maatjes, of melkmaat niet voorzien van de ijkletter T in (gotischen vorm), voor dat jaar vastgesteld.

De Advokaat-Generaal Karseboom namens den Procureur-Generaal concludeerde als volgt:

"Edel Hoog Achtbare Heeren!

"In deze is bewezen verklaard, dat in de woning der gerequireerde, na den bepaalden tijd aanwezig is bevonden ene melkmaat, niet voorzien van het ijkmerk des vorigen jaars.
"De Regtbank heeft in eersten aanleg gewezen vonnis, waarbij de gerequireerde te dier zake was ontslagen van regtsvervolging, bevestigd.
"De Heer requirant voert daartegen bij memorie van cassatie aan: schending van artt. 1 en 2 Kon. Besl. van 30 maart 1827, Stbl. no 13, in verband met art. 1 der Wet van 6 maart 1818 Stbl no.12 en art. 1 en 2 Besl. van Ged. Staten van 18 april 1863, no. 80.
"Het vonnis heeft aangenomen dat de gerequireerde was Landbouwster, en het ontslag van regstvervolging afhankelijk gemaakt van de vraag: of de woning van eene landbouwster, als zoodaning niet patentpligtig, moet worden geacht te zijn een winkel, open magazijn of werkplaats, en heeft die vraag ontkennend beantwoord.
"Die beantwoording berustte blijkbaar op eene onderscheiding tusschen patentpligtige en
niet-patentpligtige
kooplieden; ik aarzel niet met de memorie dit te noemen eene onderscheiding buiten de wet of wettelijke verordering; die al dan niet-patentpligtigheid kan in deze, dunkt mij, niets ter zake doen; het voorregt, krachtens hetwelk landlieden van den verkoop van de voortbrengselen van hunnen landbouw zich niet van een paten behoeven te voorzien, kan niet worden uitgebreid tot een ander voorregt, om verschoond te blijven van het toezigt op de door hen te gebruiken maten en gewigten; de artt. 1 en 2 van het koninklijk besluit, spreken dan ook van "alle kooplieden   - neringdoende lieden" en van "alle in het algemeen, die van de nieuwe maten en gewigten gebruik moeten maken" en opmerkelijk is het dat, twee Kon. Besluiten, dat van 3 sept. 1839, Stbl. no. 41 en dat van 28 julij 1841, Stbl. no. 25, spreken van het gebruik van melkvaten door bouwlieden te maken in hunnen handel in melk.
"Te regt wordt in de memorie aangegeven, dat het niet ter zake doet, immers in het algemeen, of, aan elk en iegenlijk op zekere bepaalde tijden al dan niet, de melk wordt verkocht en evenmin de verkoopplaats, tevens al dan niet tot bewoning dient.
"Ik zou echter meenen, dat de Raad niet bij magte is ten principale regt te doen, omdat in deze wel in het algemeen, en dit acht ik te algemeen, is beslist dat de melkmaat zich bevond in de woning,

                                            IJk van maten en gewigten : - patent.   437

waaronder het hele huis is te begrijpen, maar niet wáár in de woning zulks het geval was, en alzoo niet te beoordelen is, of die maat was gevonden in dat gedeelte der woning, het welk als verkoopplaats of melkwinkel te beschouwen is. Wel wordt in het vonnis gesproken van verkoop aan de deur (uitreiking aldaar geheeten), doch dit betreft eene beschouwing des regters van melkverkopende landbouwers in het algemeen, en niet eene beslissing in facto en casu.
"Op dezen grond meen ik dat het gewezen vonnis zal moeten vernietigd worden wegens schending van de artt. 206 en 211 wetboek van strafv., in verband met artikel 2 Kon. Besl. van 30 maart 1827, en heb ik namens den Heer Procureur-Generaal, de eer te concluderen tot vernitiging van het bestreden vonnis en verwijzing der zaak naar het Provinciaal Geregtshof in Zeeland, om het bestaande hooger beroep opnieuw te worden beregt en afgedaan; de kosten te voegen bij die der einduitspraak".

                                                       De Hooge Raad besliste als volgt:

"Overwegende dat bij het bestreden vonnis, in verband met de daarbij bevestigde uitspraak, als bewezen is aangenomen, dat op 9 september 1863 in de woning van de gerequireerde aanwezig is bevonden een blikken of ijzeren maat, zijnde twee Nederlandsche maatjes of melkmaat, niet voorzien van de ijkletter T (Gothischen vorm), voor dat jaar vastgesteld; dat echter daarop niet is toegepast de verbodsbepaling van art. 2 van het Koninklijk Besluit van 30 maart van 1827, Stbl. no. 13 en de strafbepaling van art. 1 der Wet van 6 maart 1818, Stbl, no. 12 op de overweging dat........, en alleen aan de deur op gezette tijden aan zekere bepaalde personen, tegen betaling melk wordt uitgereikt;
"Overwegende, dat echter voor de toepassing van art. 2 van genoemd Koninklijk Besluit niet wordt gevorderd, dat de aldaar bedoelde, in art.1 opgenoemde personen patentpligtig zijn, en dat evenmin van dat voorschrift zijn uitgezonderd zij, die slechts op gezette tijden en aan bepaalde personen hunne waren verkoopen, gevolgelijk dat de beslissing in deze berust op eene onderscheiding buiten de wet en het bestreden vonnis uit dien hoofde zou moeten vernietigd worden.
Overwegende dat echter de Hooge Raad niet bij magte is om ten deze regt te doen ten principale, vermits de Regtbank heeft verzuimd te onderzoeken en te beslissen, was of al dan niet de onherijkte melkmaat, in een winkel, open magazijn, verkoop- of werkplaats, of uitstalling is gevonden, en mitsdien het bestreden vonnis, wegens niet-in-achtneming der vormen, bij de artt. 206 en 211, Wetb. van Strafv. voorgeschreven behoort te worden vernietigd;
"Vernietigt het bestreden vonnis der Arrondissements-Regtbank te Goes den 2den mei 1864 in deze zaak gewezen;
Verwijst, krachtens art. 106 der Wet op Regterlijke Organisatie,

                                            438 PROVINCIAAL GERECHTSHOF VAN NOORD-HOLLAND

de zaak naar het Provinciaal Geregtshof in Zeeland om het bestaande hooger beroep op nieuw te worden onderzocht en afgedaan; de kosten in cassatie gevallen te dragen door den Staat".